Het Belgische leger uit het interbellum was een leger van dienstplichtigen. In 1938 waren er bijvoorbeeld slechts ongeveer 4.800 beroepsofficieren, 12.000 beroepsonderofficieren en nog eens 10.000 beroepsvrijwilligers. Alle andere kaders en soldaten vervulden gewoon hun dienstplicht en waren slechts voor een beperkte tijd in uniform.

De dienstplicht

Zonder al te veel in detail te gaan en over de talrijke uitzonderingen uit te weiden, werd elke jonge man geacht om in het jaar dat hij zijn 20ste verjaardag zou vieren een tijd bij het leger te dienen. Alle mannen die in een zelfde jaar geboren waren, werden ingediend in een klasse oftewel klas die genoemd werd naar het jaar waarin ze hun legerdienst begonnen. De klas 31 bijvoorbeeld was samengesteld uit jongeren geboren in 1912 en begon in 1931 aan haar diensttijd. Een klasse bestond uit ongeveer 40.000 tot 50.000 mannen.

Tijdens het interbellum werd een klas in twee grote groepen opgeroepen. Twee keer per jaar stond ons leger dus voor de enorme uitdaging om in alle eenheden enerzijds een pak ervaren miliciens te zien vertrekken en anderzijds de nieuwe rekruten te moeten opleiden. Een nieuwe klas die bij het begin van het jaar was opgeroepen, werd tijdens de lente en zomer klaargestoomd voor de traditionele grote maneuvers in de vroege herfst.

miliciens_klas39.jpg De duur van de dienstplicht veranderde doorheen de jaren. Net na de Eerste Wereldoorlog was het land oorlogsmoe. Vier jaar Duitse bezetting en strijd aan de Ijzer hadden ertoe geleid dat in de militiewet van 1921 de dienstplicht werd teruggebracht tot 10 maanden. De Belgische Werklieden Partij wou er zelfs 6 maanden van maken, maar dat plan werd door de Katholieken en Liberalen afgewezen.

Met de militiewet van 7 november 1928 werd dit gewijzigd: van elke klasse moesten 21.000 jonge mannen voor 13 (cavalerie) of 12 (andere wapens) maanden onder de wapens, terwijl de rest na 8 maanden naar huis mocht. Een ganse reeks regeltjes bepaalde wie voorrang had om van de laatste groep uit te maken. Het reservekader moest 14 maanden dienen.

In de jaren '30 begon het tij te keren. In 1931 startte de bouw van de nieuwe forten rond Luik. Hitler kwam in Duitsland aan de macht, blies in 1936 het Locarnoverdrag op en liet het leger het Rijnland herbezetten. De Belgische regering besloot eind 1937 om de dienstplicht tijdelijk te verlengen tot 12 maanden voor de meeste soldaten en tot 18 maanden voor de cavalerie. De militiewet van 28 oktober 1936 bracht de duur van de dienstplicht definitief op 12 maanden, met de mogelijkheid om één zoon per gezin voor 17 maanden in het leger te houden. Ook de reserve-officieren moesten 17 maanden dienen.

Na een actieve periode onder de wapens, mocht de milicien naar huis en werd hij onderdeel van de reserve. Hij was dan met zogenaamd onbepaald verlof. Vervolgens zou de milicien-reservist met zekere regelmaat deelnemen aan wederoproepingen. Zo'n wederoproeping duurde meestal een dag of tien en vond elke twee tot drie jaar plaats in een van de grote oefenkampen zoals Brasschaat, Beverlo of Elsenborn. De eerste wederoproepingen werden vaak volbracht bij dezelfde actieve eenheid waar de milicien-reservist zijn dienstplicht had volbracht. Na enkele jaren muteerde hij naar een reserve-eenheid of een depot en werd slechts zelden wederopgeroepen.

Buiten de wederoproepingen had de milicien-reservist maar weinig met het leger te maken. Hij moest zijn uniform in goede staat thuis bewaren en bij elke adreswijziging zijn militaire zakboekje netjes laten afstempelen op het gemeentehuis. Om naar het buitenland te reizen voor een lange periode of te verhuizen was toestemming nodig van de militaire overheden. Ook was het tot eind van de jaren '20 de gewoonte dat hij zich om de paar jaar, op een vooraf bepaalde dag in de maand augustus, in uniform moest aanmelden bij de plaatselijke Rijkswacht die dan ook weer een stempel plaatste in het militaire zakboekje.

Na 15 jaar was het beste er af en werd onze milicien overgeheveld van de reserve naar de territoriale troepen. Daar was hij nog 10 jaar onderworpen aan de dienstplicht maar werd in regel alleen wederopgeroepen in geval van oorlog. De milicien-reservist werd uiteindelijk na 25 jaar op definitief verlof geplaatst en van alle dienstverplichtingen ontheven.

De mobilisatie

Met de dreigende intocht van de nazi's in het Tsjechoslovaakse Sudetenland in september 1938 beseften de Europese landen dat het wel eens menens zou kunnen worden. Het Belgische leger werd op 27 september 1938 op versterkte vredesvoet gebracht. Vijf klassen reservisten werden opgeroepen om samen met de klas onder de wapens, de zes actieve infanteriedivisies en de zes infanteriedivisies van 1ste reserve te vormen. Daarnaast werden twee divisies Ardeense Jagers, twee cavaleriedivisies, een gemotoriseerde brigade, de vestingtroepen van Luik, Antwerpen en Namen en de artillerie van het leger gemobiliseerd. Nadat de Britten en de Fransen echter een stilzwijgend akkoord aan Hitler hadden verleend en Tsjechoslovakije lieten vallen als een baksteen, mocht op 2 oktober 1938 iedereen weer naar huis.

mobilisatie.jpgNog geen jaar later, op 1 september 1939, viel het Duitse leger Polen binnen, om enkele dagen later de oorlog te verklaren aan Londen en Parijs. Er zat de Belgen niets anders op dan hun leger (verder) te mobiliseren, iets wat door de internationale spanningen al een paar dagen daarvoor was begonnen. Bij die mobilisatie kon onze krijgsmacht putten uit een enorm reservoir aan mankracht. Meer dan 600.000 burgers zouden onder de wapens geroepen worden - meer dan 8% van de bevolking.

Het gros van het leger was onderverdeeld in drie categorieën van eenheden: actieve eenheden, eenheden van 1ste reserve en eenheden van 2de reserve. De actieve eenheden werden samengesteld uit de jongste klassen bij wie de militaire kennis nog fris in het geheugen zat. Ietwat oudere militairen werden ingedeeld in de eerste reserve en de oudsten maakten deel uit van de tweede reserve:
  • actieve regimenten: klassen 36, 37, 38 en 39
  • regimenten eerste reserve: klassen 32, 33, 34 en 35
  • regimenten tweede reserve: klassen 28, 29, 30 en 31

Ook hier had je natuurlijk ook weer uitzonderingen op de regel. Het is niet ongewoon om personeel op een ander niveau terug te vinden dan hun militieklasse zou aanduiden. Nog oudere klassen (27 en vroeger) werden volgens de verdere noden ook opgeroepen, maar typisch ingedeeld bij hulptroepen en territoriale eenheden. 'Oude' reservisten is trouwens een relatief begrip. De klassen van 28 tot 31 die naar de tweede reserve gestuurd werden, vertegenwoordigden mannen van om en bij de 30 jaar oud.

Om de goede werking van het land niet al te zeer te verstoren, werd de mobilisatie in verschillende fases opgesplitst:

Fase A (26 augustus 1939)
  • 1ste, 2de, 3de, 4de, 5de en 6de infanteriedivisies
  • 1ste divisie Ardeense Jagers
  • 1ste regiment Grenswielrijders, 2de regiment Grenswielrijders en het Bataljon Grenswielrijders Limburg
  • 1ste cavaleriedivisie
  • 2de cavaleriedivisie
  • 1ste, 2de en 3de luchtvaartregiment plus steuneenheden
  • 1ste regiment grondafweer tegen luchtdoelen
  • 2de regiment grondafweer tegen luchtdoelen
  • vestingstroepen van Namen, Luik en Antwerpen
  • een gedeelte van de ondersteunende eenheden
miliciens.jpgFase B (28 augustus 1939)
  • 8ste en 11de infanteriedivisies
  • 2de divisie Ardeense Jagers
Fase C (1 september 1939)
  • 7de, 9de, 10de en 12de infanteriedivisies
  • 1ste Licht Regiment, 2de Licht Regiment
  • transporttroepen
  • spoorwegtroepen
  • territoriale eenheden
  • een gedeelte van de bevoorradingstroepen
Fase D - Eerste stap (11 september 1939)
  • 14de en 16de infanteriedivisies
Fase D - Tweede stap (20 oktober 1939)
  • 13de, 15de en 18de infanteriedivisies
Fase D - Derde stap (7 november 1939)
  • 17de infanteriedivisie
Fase E (10 mei 1940)
  • algemene mobilisatie

Naar de oorlog

mobilisatie_pax.jpgOmdat het land duidelijk niet verder kon met zo goed als alle jonge mannen in uniform, werden al snel na de mobilisatie bepaalde groepen reservisten weer naar huis gestuurd. Vanaf oktober 1939 ontsloeg men belangrijke aantallen militairen:
  • de mijnwerkers en de mijningenieurs werden opnieuw aan het werk gezet
  • vaders van drie of meer kinderen mochten ook naar huis terugkeren
  • een groot aantal artsen werd weer gedemobiliseerd om hun privé-praktijk weer te openen
  • leerkrachten werden terug naar school gestuurd
  • alle ambtenaren keerden terug, te beginnen met het ministerie van financiën en eindigend met de gemeentebesturen
  • werklieden met een onmisbare vaardigheid voor de Belgische industrie konden eveneens een demobilisatieaanvraag indienen

België ging de bijzonder strenge winter 1939-1940 in en de goesting van het land om zovele jonge mannen in uniform te moeten laten rondlopen, daalde zienderogen. De lage soldij van de reservist kon bovendien in de meeste huisgezinnen het verlies van de broodwinner niet compenseren. Een soldaat-milicien trok 1 frank per dag. Zijn echtgenote had recht op 8 frank, plus 3 frank per kind per dag. Een klein huurhuis kostte zo'n 250-500 frank per maand.

In februari 1940 werd de klas 40 onder de wapens geroepen. Deze nieuwe militairen werden vanaf maart van hun eenheid doorgestuurd naar één van de Versterkings- en Opleidingscentra waar een reeks nieuwe regimenten werd gevormd.

Bij al deze militairen werden bij de afkondiging van de algemene mobilisatie om 06u00 op 10 mei 1940 nog twee groepen gevoegd: enerzijds de reservisten van alle leeftijden die om een of andere reden nog niet gemobiliseerd waren of tijdens de mobilisatieperiode terug naar huis gestuurd waren (zoals de vrijgestelde beroepen en de vaders van meer dan drie kinderen; zie lijst hier boven) en anderzijds de reservisten van de alleroudste oudste klassen die nog nergens anders een plaats gevonden hadden. Het kaderpersoneel van deze regimenten werd voornamelijk geleverd door reserveofficieren die niet langer aan de wederoproepingen deelnamen.

Tenslotte had je nog talrijke jongere mannen van tussen de 19 en 35 jaar die medisch geschikt waren, maar om een of andere reden vrijgesteld waren van legerdienst. Deze groepen werden bij de mobilisatie aangemaand om zich naar één van drie verzamelpunten in het westen van het land te begeven. Daar werden ze ingedeeld in de inderhaast opgerichte Recruteringscentra van het Belgisch Leger en na enkele dagen naar Frankrijk gestuurd.