De Achttiendaagse Veldtocht

De ganse campagne van mei 1940 uit de doeken doen op één enkele pagina kan natuurlijk niet, maar toch is dit een poging om in enkele korte stukjes tekst de context van de Duitse inval toe te lichten.

België als neutraal land

Wie de Achttiendaagse Veldtocht in detail wil besturen, moet voor ogen houden dat in 1940 ons land neutraal was. België was immers in 1830 op poten gezet als buffer tussen Frankrijk en Pruisen en het nieuwe land was te allen tijde gebonden om zich neutraal te houden. Deze neutraliteit zou gewaarborgd worden door de grote landen van Europa.

Zo verliep het nog steeds in de dertiger jaren. Na de militaire bezetting van het Rijnland door de nazi's bevestigde ons land in 1936 haar strikte neutraliteitspolitiek. Dit betekende dat ons leger min of meer evenredig opgesteld stond aan alle landsgrenzen. De regering liet ook nog een reeks defensieve forten bouwen en de politiek blokkeerde de aankoop van wapentuig zoals tanks, omdat de vijand wel eens zou kunnen denken dat we agressief gingen zijn.

's Lands verdediging: de theorie

loopgraven.gifBinnen dit neutraliteitskader werd door onze legerleiding en door de geallieerden een nieuw verdedigingsplan opgesteld toen het duidelijk werd dat van alle landsgrenzen de oostgrens het meest bedreigd werd. Het geallieerde Plan Dyle ontstond toen de nazi's zich als de agressors van Europa profileerden. Het plan bestond er in dat het Belgische leger zich stapsgewijs zou terugtrekken naar het centrale gedeelte van het land, terwijl de Britten en Fransen België vanuit het westen binnenrolden om de Duitse invaller tegen te houden van op oevers van de Dijle. Om dit plan te realiseren voorzag ons land in een aantal defensieve stellingen doorheen het ganse grondgebied. Elk van deze stellingen kreeg een naam mee:

  • Alarmstelling: Deze stelling liep langs de grens doorheen de provincies Antwerpen, Limburg, Luik en Luxemburg en bestond uit een reeks alarmposten en observatieposten. Hier werden lichte troepen opgesteld om de vijand in het oog te houden, het Groot Hoofdkwartier te alarmeren bij een inval en om een aantal snelle vernielingswerken uit te voeren. De Grenswielrijders werden onder andere in dit kader opgericht.

  • Vooruitgeschoven Stelling: Wat verder in het binnenland werden bunkerlinies en steunpunten aangelegd om de vijand af te remmen, terwijl de rest van het leger zijn hoofdposities zou innemen. Deze linie liep in het noorden van het land grosso modo over het Verbindingskanaal Maas-Schelde. In dit gebied zouden wegen, bruggen, tunnels, viaducten, spoorwegen en telefooncentrales worden vernield om het de Duitsers lastig te maken, en dienden de troepen vervolgens teruggetrokken worden naar de K.W. Stelling. De 18de Infanteriedivisie, de cavalerie en de Ardeense Jagers waren de voornaamste formaties die deze taak moesten vervullen.

  • Dekkingsstelling: Deze stelling werd vanaf eind 1939 bemand door maar liefst 14 divisies; meer dan de helft van het Belgische leger. De Dekkingsstelling liep langs het Albertkanaal en de Maas van Antwerpen via Luik tot Namen. Langs het Albertkanaal stond om de 600 meter een bunker met twee mitrailleurs. Alle bruggen werden ondermijnd met springladingen, velden werden onder water gezet en tankversperringen opgebouwd. De Versterkte Posities van Luik en Namen maakten deel uit van deze stelling.

  • Weerstandsstelling: Van het Fort van Koningshooikt tot in Namen liep de verdedigingslijn waarop de Duitse invaller tot staan zou worden gebracht. Het gedeelte van Koningshooikt tot in Leuven zou aan de Belgen toebehoren en de geallieerden zouden mooi aansluiten in het zuiden. Het Belgische deel wordt het vaakst omschreven als de K.W. Stelling of K.W. Linie. De K.W. Stelling is bekend omwille van de talrijke anti-tankgrachten, bunkers en grote ijzeren anti-tank hekkens die C-elementen of Cointet-elementen werden genoemd.

  • Nationaal Bolwerk (Réduit National): Als uiterste verdedigingslinie zou de Bovenschelde gebruikt worden, met de Versterkte Positie Antwerpen en het Bruggenhoofd Gent als scharnierpunten. De visie was dat onze krijgsmacht zich zou terugtrekken naar de beide Vlaanderen om daar met steun van de geallieerden een vijandelijke invaller gedurende onbepaalde tijd het hoofd te kunnen bieden.

  • Overige stellingen: Tussen Halle en Ninove werd bijvoorbeeld een bijkomende verdedigingslinie naar het zuiden voorzien. Deze linies waren lang niet volledig in 1940.

De Duitse inval: de praktijk

Op 10 mei overvielen Duitse parachutisten in zweefvliegtuigen de belangrijke bruggen te Vroenhoven, Veldwezelt en Kanne aan de Nederlandse grens. Met de snelle Duitse overschrijding van het Albertkanaal en de uitschakeling van het fort van Eben-Emael kregen de Belgen rake klappen. De bruggen van Vroenhoven en Veldwezelt werden intact veroverd en de Belgische 7de Infanteriedivisie werd in 24 uur van het Albertkanaal verdreven. Na herstelling van de bruggen te Maastricht, lag op 11 mei de weg voor de vijandelijke 3de en 4de Pantserdivisie naar Haspengouw en Frankrijk helemaal open.

Capitulatie_Kleur.JPG
Belgische militairen wachten op 28 mei de komst van de overwinnaar af.
De echte verrassing gebeurde echter in de Ardennen. De Ardense bossen waren toen nog een pak minder doorgankelijk dan nu en waren slechts dun bezaaid met wegen geschikt voor zwaar verkeer. Daarom dachten de geallieerde legers dat de Duitse pantsers nooit snel genoeg doorheen de Ardennen zouden raken om een ernstige dreiging te vormen. Het gehele gebied was dan ook zwak verdedigd en het Franse leger rekende op vijf volle dagen om de linkeroever van de Maas te bezetten. Tot algehele consternatie reden de tanks van de Wehrmacht in twee dagen razendsnel door het zogezegd ontoegankelijke gebied. De invaller stond reeds op 13 mei op de westelijke oever van de Maas in Sedan in Frankrijk. Ook tussen Namen en de Franse grens werd de stroom overschreden. De weg naar de kust was vrij en de agressor stormde te midden van het verwarde Franse leger richting Boulogne en Calais.

Tot overmaat van ramp gaven twee dagen later de Nederlanders zich over en kwam het gevaar nu zowel uit het noorden als uit het zuiden. De Duitse troepen die vrijgekomen waren door de Nederlandse capitulatie bogen af naar zuiden en rukten op richting Antwerpen.

De Belgen en geallieerden zagen in dat de K.W. Stelling niet langer verdedigbaar was en eenvoudig kon omsingeld worden. Op 16 mei beval de Franse Generaal Gamelin de aftocht naar het westen. De Belgen, Fransen en Britten trokken zich terug. Ons leger zou de lijn Terneuzen-Gent-Oudenaarde bemannen. De tocht naar het westen verliep erg moeizaam. Door het Duitse luchtoverwicht konden de Belgen zich alleen 's nachts op een veilige manier verplaatsen. Bovendien zaten de invallers ons leger op de hielen en moesten onderweg tijdelijke verdedigingslinies geïmproviseerd worden aan het Kanaal van Willebroek, de Dender en de Schelde.

Drie dagen later, op 18 mei, was iedereen min of meer aangekomen op de lijn Terneuzen-Gent-Oudenaarde. Vanaf Oudenaarde sloten de Britten aan tot aan de Franse grens. Het Belgisch leger was klaar voor een nieuwe strijd. Aanvankelijk leek de nieuwe missie ook te lukken. Zowel op het Kanaal Gent-Terneuzen, op het Bruggenhoofd Gent en aan de Bovenschelde werden de Duitse aanvallen afgeweerd.

De Duitsers denderden intussen in volle vaart naar de Atlantische kust en op 21 mei viel Abbeville. De geallieerden in Noord-Frankrijk en Vlaanderen waren aan drie zijden ingesloten en stonden met hun rug naar de zee. Er werd een dringend topoverleg georganiseerd tussen de Franse, Britse en Belgische legers op de Conferentie van Ieper. Alweer werd besloten dat iedereen verder achteruit moest. De Belgen moesten in het zuiden tegen 23 mei achter de Leie opgesteld staan. In het noorden kregen ze een dag langer om tegen 24 mei van het Kanaal Gent-Terneuzen naar het Afleidingskanaal van de Leie (ook: Schipdonkkanaal) terug te trekken. De terugtocht werd vakkundig volbracht, maar de Duitsers vonden al snel aansluiting en het zou tot een bijzonder bloedige strijd komen langsheen beide waterwegen. Zowel de Leie als het Afleidingskanaal van de Leie werden op diverse punten overschreden. De Belgen werden op alle aanvalsplaatsen achteruit gedrukt.

Niets zou nog helpen. Nieuwe linies tussen Ieper en Roeselare, rond Tielt en tussen Aalter en Maldegem boden geen voldoende hindernis voor de vijand meer. Na zware gevechten zat het terugtrekkende leger op 27 mei opeengehoopt in de provincie West-Vlaanderen en was de chaos compleet. Leopold III besloot de wapens de volgende ochtend neer te leggen.