De achttiendaagse veldtocht liet niemand onaangeroerd. Op deze pagina willen we enkele korte verhalen van gewone mensen samenbrengen en trachten we de veldtocht een heel klein beetje een persoonlijk gezicht te geven.

Oproep: Wie ook nog over een persoonlijk verhaal van een familielid of kennis beschikt, en dit graag aan deze pagina wil toevoegen, mag dit steeds samen met een foto opsturen naar 18daagseveldtocht@gmail.com

29Li_Sdt_MauriceCelis.jpg
Soldaat Maurice Celis deed zijn legerdienst in 1931 bij het 1ste Linieregiment in de Chartreuse kazerne te Luik. Op 28 augustus 1939 wordt hij gemobiliseerd bij het 29ste Linieregiment en ingedeeld bij de 5de compagnie. Op 10 mei 1940 is zijn regiment samen met de rest van de 11de infanteriedivisie net begonnen aan een oefenperiode in het Kamp van Beverlo. Na een ontplooiing aan de K.W. Stelling en een eerste contact met de vijand aan het Kanaal Gent-Terneuzen komt het regiment aan op het Afleidingskanaal van de Leie na vele zware nachtelijke marsen.

Hij wordt op 28 mei krijgsgevangen gemaakt en enkele dagen later met de rest van zijn regiment via enkele tussenstops te Gent, Lokeren en Ekeren op weg gestuurd naar het verzamelkamp op de Polygoon van Brasschaat. De bezetter ontneemt de Belgen hun zakboekjes met de belofte dat deze bij aankomst in Brasschaat afgestempeld zullen worden als bewijs van vrijlating. Van deze belofte komt echter niets in huis. Maurice slaagt er in om op 6 juni het kamp ongezien te verlaten, kan een fiets en wat burgerkledij lenen en rijdt vervolgens als 'terugkerende vluchteling' naar zijn thuis te Kessel-Lo.

De Duitsers tonen geen interesse in hem en hij kan een paar weken later de fiets en kledij terugbezorgen aan de eigenaar. Hij krijgt in november 1940 een baan als elektricien in de plaatselijke Centrale Werkplaats van de NMBS en blijft van verder oorlogsgeweld gespaard.


22Li_Marcel_De_Brouwere.jpg
Soldaat Marcel De Brouwere (geboren te Ardooie op 26 september 1914) deed zijn legerdienst in 1934 bij het 2de Linieregiment in de Leopoldkazerne te Gent.

In september 1939 werd hij gemobiliseerd en ingedeeld in het 22ste Linieregiment, een ontdubbeling van het 2de Linieregiment. Hij maakte deel uit van de 1ste compagnie van het 1ste bataljon als F.M. schutter.

Op 10 mei zat hij met zijn eenheid te ’s-Gravenwezel aan het Albertkanaal in de driehoek gevormd door het Albertkanaal, het anti-tankkanaal en het Kempisch kanaal. Vanaf 17 mei diende zijn eenheid zich terug te trekken, in vier nachtelijke voetmarsen, tot achter het Afleidingskanaal van de Leie in Zomergem. Op 23 mei nam het 22ste Linieregiment stelling in op het 2de echelon, op +/- 2 km achter het Afleidingskanaal ter hoogte van Ronsele alwaar de Lieve in het Afleidingskanaal komt.

Het 1ste bataljon van het 22ste Linieregiment werd op 25 mei in de zeer vroege morgen ingezet om een tegenaanval te doen nadat de dag voordien een groep Duitse soldaten (eenheden van het Duitse 309ste infanterieregiment) er in geslaagd waren over het kanaal te komen. Deze tegenaanval werd, niettegenstaande aanzienlijk verlies van manschappen, een succes. De Duitsers werden terug over het kanaal gedreven en er werden er +/- 200 krijgsgevangen genomen.

Op 26 mei stak het Duitse leger na hevige bombardementen het Afleidingskanaal op meerdere plaatsen over. Tijdens deze gevechten werd Marcel De Brouwere rond 17u00 ernstig gewond door obusscherven waarbij hij zijn linkerhand tot boven de pols verloor. Hij werd overgebracht eerst naar een veldhospitaal te Sleidinge, vervolgens werd de linkerhand geamputeerd, eerst in het Militair Hospitaal te St Amandsberg en later nog eens in het Militair Hospitaal nr 1 (Brugmann Ziekenhuis) te Brussel.

Na de oorlog stichtte hij een gezin, hij kreeg vier kinderen en 10 kleinkinderen. Niettegenstaande zijn handicap werkte hij als arbeider, eerst in een wasserij, nadien als nachtwaker tot in 1974. Hij overleed op 5 oktober 2003.


24Li_Sdt_Odiel_Eeckhout.jpeg
Odiel Eeckhout (1913-1988) was milicien van de klas 1933 en trad in werkelijke dienst op 31 mei 1933 voor 8 maanden bij het 4de Linieregiment. Hij werd nadien nog twee keer wederopgeroepen: een eerste maal in 1936 voor 6 weken kamp, een tweede maal in 1938 voor 8 dagen mobilisatie, telkens bij het 4de linie.

Op 1 september 1939 werd Odiel gemobiliseerd bij het 24ste Linieregement (ontdubbeld van het 4de Linieregiment) en ingedeeld bij de 6de Compagnie Fuseliers onder Lt J. Meganck. Hij nam actief deel aan de Achttiendaagse Veldtocht en werd op 25 mei 1940 door een schot verwond aan het been nabij Wevelgem. Na verzorging kan hij doortrekken tot aan de capitulatie op 28 mei. Odiel werd nabij Koekelare gevangen werd genomen en diezelfde dag alweer vrijgelaten. Hij kon huiswaarts keren naar zijn zwangere echtgenote en 2 kinderen van 1 en 2 jaar te Oostnieuwkerke.

Twaalf jaar later, op 15 mei 1952, zou hij opnieuw teken bij het leger als beroepsmilitair bij de administratieve wings van de luchtmacht waar hij in 1969 op pensioen ging.


persoonlijkeverhalen_gerard_pellards.jpg
Inwoner van Bree Gerard Pillards was begin 1940 bij zijn medische keuring op het Wervingsbureel van Hasselt nog voorlopig ongeschikt verklaard voor de lichting 41 en als burger terug naar huis gestuurd. Op 10 mei 1940 gaf hij gehoor aan de oproep van de regering aan alle jonge mannen tussen 16 en 35 jaar om de werfreserve van het leger te vervoegen en op eigen houtje naar West-Vlaanderen te trekken.

Gerard trok richting Antwerpen en was te Mortsel getuige van de droeve gevolgen van de Duitse luchtaanval van 10 mei. Enige tijd later passeerde hij te Gistel. Uiteindelijk kwam bij met enkele lotgenoten aan te Beselare waar bij op 20 mei werd ingeschreven op het register der vluchtelingen. Het gemeentebestuur reikte ook een bon uit rechtgevend op voedsel voor vijf personen, maar de bon werd nooit gebruikt.

Het gros van de werfreserve van het leger - de zogenaamde CRAB - was op dat ogenblik reeds per trein geëvacueerd naar Frankrijk. Gerard zat samen met enkele duizenden jonge mannen vast in de Westhoek en kon pas na de capitulatie terug naar huis keren. Hij nam zijn werk weer op en volbracht zijn diensttijd net na de bevrijding (naoorlogse foto).


32A_Brig_Merckaert.jpg
René Merckaert (1910 -1979) volbracht zijn legerdienst in 1928 bij het 13de Regiment Artillerie. In mei 1938 werd hij wederopgeroepen voor 8 dagen kamp te Sint-Michiels nabij Brugge. René wordt gemobiliseerd op 3 september 1939. Hij zal tot 13 januari 1940 onder de wapens blijven in Ekeren, wat geen eenvoudige zaak was aangezien hij 3 kleine kinderen had en zijn vrouw er alleen voor stond.

Op 10 mei wordt hij opgeroepen naar Brugge, alwaar hij met een aantal andere reservisten van het 13A als brigadier wordt toegevoegd aan het 32A, III Groep Legerkorpsartillerie, onder kapitein Vantreel en luitenant Cambier. Het regiment verplaatst naar zijn oorlogskantonnement te Beernem. Tussen 14 en 28 mei belandt brigadier Merckaert achtereenvolgens in Assebroek, Kortemark, Vlamertinge, Elverdinghe, opnieuw in Kortemark en uiteindelijk in Leke.

Op 29 mei wordt hij in Deinze krijgsgevangen genomen. Hij wordt ontwapend en beroofd van zowat alle bezittingen (geld, scheermesjes, toiletgerief, papieren) en daarna opgesloten in de bloemmolens. Op 30 mei gaat het in colonne en onder Duitse bewaking via Gent (waar een ontsnappingspoging wordt ondernomen die mislukt) en Lokeren naar het transitkamp op de Polygoon in Brasschaat. Van hier uit wordt hij op 3 juni per trein afgevoerd naar het Duitse Bocholt.

Op 10 juni komt René Merckaert aan in in Stalag VIIIa te Görlitz (Silezië, huidig Polen). Het kamp van Görlitz is een krijgsgevangenkamp met een internationale bevolking: Belgen, Fransen, Engelsen, Polen en Senegalezen. Hij zat als dwangarbeider in verschillende arbeidscommando's (Ober-Thiemendorf, Friedersdorf, Kerzdorf, Holzkirch, Hangsdorf). Op 8 januari 1941 wordt hij ontslagen uit Kamp Görlitz en keert hij terug naar Antwerpen. Onderweg nabij Dresden wordt de trein met terugkerende gevangenen gebombardeerd door de Britten. Op 11 januari is hij eindelijk terug bij zijn familie in Geraardsbergen. De rest van de oorlog zal hij als een ‘brave’ bediende werken en voor zijn gezin zorgen. Alhoewel hij toch meermaals verschillende familieleden zal verbergen die in het verzet actief waren.


GVCE_Gaston_Schoukens.jpg
Dilbekenaar Gaston Schoukens zag het levenslicht op 11 juni 1901 in een gezin van kleine landbouwers en fruittelers. Als enige zoon was hij voorbestemd om het ouderlijk bedrijf over te nemen. Toen hij zijn legerdienst moest gaan vervullen, werd hij geschikt bevonden voor het Transportkorps. Hij werd ingelijfd bij het Groot Legerpark op 1 juni 1921 en ging een jaar later op 1 juni 1922 met onbepaald verlof. Gaston huwde te Dilbeek op 3 januari 1933 met Leonia Van Damme. Zij hadden drie kinderen.

Enkele weken voor het uitbreken van de oorlog biedt Gaston zich aan als vrijwilliger-diensthernemer bij het 2de Wervingsbureel te Brussel. Hij wordt toegewezen aan de Wachters der Verkeerswegen en Inrichtingen (de 'GVCE') en op 29 april 1940 opgeroepen voor de 1ste compagnie van het XXI bataljon. Gaston was vaderlandslievend ingesteld en had een voorliefde voor het leger, maar ook de economische toestand was doorslaggegevend voor zijn beslissing. Hij dacht in eerste plaats aan vrouw en kinderen en meende een goede daad te stellen.

Bij het beëindigen der vijandelijkheden wordt hij op 29 mei krijgsgevangen genomen door de Duitsers. Totaal verzwakt door dagenlang marcheren onder een brandende zon loopt hij op 10 juni een hitte- en zonneslag op en overlijdt 's anderdaags in het burgerlijk hospitaal in de Oscar Delghuststraat te Ronse. Van brute pech gesproken. Gaston werd er begraven op het ereperk van de gemeentelijke begraafplaats. Hij kreeg postuum de Herinneringsmedaille van de Oorlog 1940-1945 met twee gekruiste sabels toegekend. Zijn echtgenote die achterbleef met twee kleine kinderen en haar oude schoonvader had de financiële middelen niet om hem naar Dilbeek te laten overbrengen. Haar verdere leven werd haar door het Ministerie van Landsverdediging driemaandelijks een bescheiden pensioen uitbetaald. Beide kinderen werden geplaatst in instellingen van dit Ministerie en zijn gedurende enkele jaren van elkaar gescheiden gebleven.


23TTr_Sdt_Gerard_Storm.JPG
Gerard Storm werd geboren op 18 april 1918 in Swansea (Wales). Kort na de oorlog kwam hij met zijn ouders en oudere broer, Charles (die in mei 40 zou dienen bij het 1ste Regiment Legerartillerie) naar België en vestigden ze zich te Gent, in de Muide.

Hij leerde zijn echtgenote, Alina Van Der Steen, kennen kort voor het begin van de 2WO. Hij werd bij de mobilisatie ingedeeld bij de compagnie telegrafisten van het 3de legerkorps (23ste TTr) met als standplaats de Citadel te Luik. Hun taak was de verdediging van de versterkte positie rondom Luik. Onder druk van de Duitse inval moesten ze noodgedwongen terugtrekken vanuit Luik om via Namen, Chareroi, Bergen, Aalst, Schoonarde en Gent tot helemaal in het Westvlaamse Eernegem te belanden, een tocht waarbij tal van slachtoffers vielen maar waarin hij gelukkig gespaard bleef. Bij een beschieting door een vijandelijk vliegtuig op 27 mei 1940 ter hoogte van Beernem werd zelfs zijn helm doorzeefd en kwam hij er met de schrik van af. Op dat moment stonden ze ook relatief dicht bij de frontlijn.

Na de capitulatie werd hij als krijgsgevangene per vrachtwagen naar Antwerpen gestuurd om aldaar per schip langs de Nederlandse kust helemaal tot in het noorden van Duitsland gebracht te worden. Vervolgens werd hij per trein naar Sandbostel gevoerd, een krijgsgevangenenkamp in de buurt van Bremerhaven, waar hij tot 11 oktober 1940 zou blijven alvorens terug naar huis te keren.

Zijn geluk was van korte duur want in februari 1942 werd hij opgepakt in Maldegem en als verplicht tewerkgestelde terug naar Duitsland gestuurd, ditmaal naar Halberstadt waar hij voor Junkers Motoren werkte. Daar bleef hij tot 15 mei 1945 en het duurde na zijn bevrijding nog een aantal slopende weken alvorens hij terug thuis was bij zijn echtgenote in Maldegem.

Gerard Storm zou later nog een politieke carrière uitbouwen als vooraanstaand gemeenteraadslid en eerste schepen. Hij zat zes legislaturen onafgebroken in de Maldegemse gemeentepolitiek. Hij ontving, buiten zijn militaire eretekens, verscheidene burgerlijke eretekens voor zijn jarenlange inzet waaronder Ridder in de Orde van Leopold II.

Het was bijna taboe om over de gruweldaden uit de tweede wereldoorlog te praten maar het stilzwijgen betekende des te meer dat het mentaal heel zwaar moet zijn geweest voor zowel hemzelf als zijn echtgenote en familie. Gerard Storm is na een rijk gevuld leven, maar blijvend getekend door de wreedheden die hij tijdens de oorlog heeft moeten doorstaan, overleden op 4 december 2002. Hij liet 6 kinderen, 14 kleinkinderen en 13 achterkleinkinderen na.


57Li_Sgt_Vanderlinden.jpg
Limburger Hendrik Vanderlinden vervoegde in oktober 1936 de schoolcompagnie van het 7de Linieregiment en zwaaide een jaar later af als sergeant reserve-onderofficier. Op 26 augustus 1939 keert hij terug naar de 11de compagnie van zijn zijn regiment. In maart 1940 wordt hij als onderrichter doorgestuurd naar het pas opgerichte 57ste Linieregiment dat deel uitmaakt van het 4de Versterkings- en Opleidingscentrum. Hij verhuist naar Kontich-Kazerne.

Aan het eind van de eerste oorlogsdag vervoegt het regiment naar zijn oorlogskantonnementen te Sint-Michiels nabij Brugge. De manschappen worden er ondergebracht in de grote herenhuizen en kastelen langsheen de Torhoutsebaan. De parachutistenkoorts heerst in het land en er wordt voortdurend gepatrouilleerd in de buurt.

Op 15 mei evacueert de legerleiding het 57Li per trein naar het Franse stadje L'Isle-Jourdain. Hier zullen de manschappen verblijven als onderdeel van de strategische reserve van ons leger. Wanneer op 28 mei het nieuws van de capitulatie in Vlaanderen toekomt, slaat de wanhoop toe. Niemand weet wat er gaat gebeuren en de plaatselijke bevolking bestempelt onze militairen als verraders van de geallieerde zaak. Begin juni trekt Hendrik samen met een detachement van zijn regiment naar de buurt van Parijs om er veldwerken voor het Franse leger te gaan uitvoeren. Deze missie draait uit op een sisser en resulteert in een ellendige terugkeer naar L'Isle-Jourdain. Uiteindelijk zal Hendrik samen met de rest van het 57Li eind augustus gerepatrieerd worden. Hij wordt niet gevangen genomen.


38Li_Sdt_MauriceVanKerckhoven.jpg
In 1930 verliet Maurice Van Kerckhoven zijn geboortedorp Buggenhout om zijn legerdienst te gaan volbrengen bij het 8ste Linieregiment. Op 26 augustus 1939 wordt hij samen met de andere miliciens van de klassen 28, 29, 30 en 31 gemobiliseerd bij het 38ste Linieregiment. Na een periode binnen de Versterkte Positie Antwerpen te Kapellen belandt zijn regiment in februari 1940 aan het Albertkanaal te Lummen.

Maurice is er geregeld schildwacht op de brug van Genenbos, waarbij hij de identiteitsbewijzen van de passanten moet controleren. Vooral ’s nachts zorgt dit al eens voor hilarische toestanden omdat nogal veel soldaten schrik hadden in het donker! Geregeld wordt er ook een oogje dichtgeknepen wanneer personen zonder papieren de brug willen oversteken.

Op 10 mei worden de bruggen in de ondersector van het regiment vernield. Wanneer twee dagen later de eerste Duitsers aan de kanaaloever opduiken, breken schermutselingen uit. De dreiging komt echter uit het oosten en wanneer de vijand richting Lummen oprukt, wordt de 14de divisie met omsingeling bedreigd. Na nog een dag zonder bevelen en bevoorrading ondekken Maurice en zijn strijdmakkers dat de rest van hun eenheid verdwenen is. Ze begraven hun granaten in hun loopgracht en gaan op zoek naar voedsel.

Op 13 mei wordt Maurice zoals zovele andere militairen van de 14de infanteriedivisie door de invaller gegrepen. De Duitsers sturen vrijwel alle Belgen die nog tijdens de veldtocht zelf gevangen genomen worden meteen naar de krijgsgevangenenkampen. Op 28 mei belandt Maurice dan ook in Stalag 1A te Guerken in Oost-Pruisen. Hij wordt tot dwangarbeid verplicht en wordt ingezet als schrijnwerker bij een plaatselijke houtzagerij en meubelmakerij. Op 14 januari 1941 mag hij naar huis terugkeren. Hij komt drie dagen later aan in Antwerpen.


6A_AlbertVanKersavondzondag25feb1940.jpg
Tijdens de economische depressie van de jaren ‘30 zocht Albert Van Kersavond, samen met zijn broer Urbain, werkzekerheid bij het Belgische leger en trad hij in 1934 in dienst als beroepsmilitair bij het 6de Regiment Artillerie.

Als wachtmeester nam Albert deel aan de 18-daagse veldtocht waar hij deel uitmaakte van de 5de batterij van de IIde groep van het 6A. Deze batterij verleende vuursteun bij de gevechten rond Veldekens-brug aan het Schipdonkkanaal. Tijdens de veldtocht kwam zijn verloofde hem, na een lange fietstocht door Vlaanderen, opzoeken aan het front. Ze had burgerkleren bij zich en stelde Albert voor om te vluchten, wat hij weigerde.

Na de capitulatie werd Albert samen met vele anderen per koolschip over de Rijn en verder met een beestenspoorwegwagen naar Stalag IIC in Greifswald (in het huidige Polen) gebracht. De fabrieken waar de krijgsgevangenen werden tewerkgesteld, werden regelmatig gebombardeerd door de geallieerden. Ook werden de krijgsgevangenen slecht behandeld. Zo moest Albert sneeuw ruimen op zijn blote voeten; iets waar hij levenslange longproblemen aan zou overhouden.

In april 1945 werd het kamp bevrijd door de Russen en moest Albert op eigen houtje naar huis raken. Op deze tocht maakte hij een Duits Lüger-pistool buit en ook een paard dat hij onderweg ruilde voor een brood. Later wou hij nooit meer over zijn traumatische oorlogsjaren praten, al bleef hij de rest van zijn carrière beroepsmilitair.


1C_Verbist_ François_Klein.jpg
Als milicien van de Klas 38 droeg François Verbist (Etterbeek, 1919) net zoals tienduizenden andere jaargenoten het kaki uniform vrijwel continu tijdens de laatste twee jaren voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. De mobilisatie van 1939 zorgde er immers voor dat legerdienst en mobilisatieperiode voor de meesten van deze militieklasse helaas vrijwel naadloos in mekaar overliepen.

Na zijn diensttijd zei zijn sergeant tegen hem: "zet je kitzak maar niet te ver uit de buurt als je thuiskomt, want over één week sta je hier terug!". Hij bleek gelijk te hebben want effectief na één week thuis geweest te zijn werd de mobilisatie afgekondigd en kon Frans weer vertrekken naar zijn eenheid..

Op 10 mei 1049 was Frans korporaal-milicien bij de 4de compagnie mitrailleurs van het 1ste Regiment Karabiniers. Hij werd bij het einde van de achttiendaagse veldtocht gevangen genomen en via de krijgsgevangenentransporten over de Nederlandse grote rivieren naar Duitsland afgevoerd en ondergebracht in Stalag XIB te Fallingbostel, tussen Hannover en Hamburg. Bij deze reis naar het krijgsgevangenkamp werden ze vervoerd met binnenschepen die afgeladen vol, via de grote rivieren naar hun bestemming voeren. Eén van de aken, de Rhenus 127, liep op een mijn. Frans zag het gebeuren, hij zat op de aak vlak er achter. In het voorjaar van 1941 kwam hij weer vrij.

Bezoek deze pagina voor een aantal persoonlijke documenten van Frans.